Door Justine de Jong
Over de huidige status van ontwikkelingssamenwerking worden heel wat standpunten verdedigd. Zo zou er veel meer geld aan moeten worden besteed, zou het helemaal afgeschaft moeten worden of zou het allemaal op een heel andere manier moeten gebeuren. Op 15 september was het aan SIB om erachter te komen hoe het nu precies zit met de effectiviteit van ontwikkelingssamenwerking. De altijd enthousiaste SIB-leden waren niet de enige die zich voor een antwoord op deze vraag naar CREA hadden begeven. De zaal vulde zich snel met enthousiaste studenten en twee ietwat oudere heren. Toen ook de trap vol zat moest er tegen belangstellenden op de gang gezegd worden dat er helaas geen plekken meer vrij waren. Hoewel dit voor hen heel spijtig was, was het leuk om te zien dat de vraag naar de effectiviteit van ontwikkelingssamenwerking zoveel mensen bezighoudt.
Blij met al die animo kon de avond van start gaan. Debatleider Tobias Reijngoud, die zelf veel geschreven heeft over ontwikkelingssamenwerking, hield de touwtjes deze avond strak in handen. Onder zijn leiding kregen de sprekers, Godelieve van Heteren, oud directrice van Cordaid en ex-kamerlid voor de PVDA, Gerrit Faber, als internationaal econoom verbonden aan de Universiteit Utrecht en Paul Hoebink, hoogleraar ontwikkelingssamenwerking, de kans hun visie te geven op een aantal stellingen.
Genuanceerde meningen kwamen op tafel. Ontwikkelingssamenwerking heeft zeker een positief effect, zo werd er betoogd, waarop het boek ‘Dead Aid’ van Dambisa Moyo -waarin zij beargumenteert dat het resultaat van ontwikkelingssamenwerking voor het ontvangende land negatief is-, door de heer Hoebink werd afgeschreven. Niet elke vorm van samenwerking is echter effectief. De tijd waarin ontwikkelingsamenwerking stond voor Westerse ‘weldoeners’ die derdewereldlanden kwamen ‘redden’ met wat geld is voorbij. Wil ontwikkelingssamenwerking effectief zijn, dan moet er aan een aantal voorwaarden zijn voldaan. Die voorwaarden houden verband met de stabiliteit van politieke instituties, het betrekken van de bevolking in de samenwerking, voorzien in lokale behoeftes en een focus op duurzaamheid van projecten.
Het publiek werd door de heer Reijngoud actief bij de discussie betrokken. Zo hoorden wij persoonlijke ervaringen over ontwikkelingssamenwerking (ik refereer naar bovengenoemde oudere heren) en werden er suggesties gedaan ter vervanging van de huidige vorm van samenwerking: er zou meer gewerkt moeten worden vanuit de private sfeer in plaats van vanuit de overheidssector. Ook werd de oproep vanuit het publiek gedaan dat het Westen geen ‘pleisters moest plakken’, maar ontwikkelingslanden een hand moest bieden en bestaande machtsverhoudingen zou moeten veranderen. Zo kwam ook de toekomst van ontwikkelingsamenwerking ter sprake, hebben we misschien te hoge verwachtingen van ontwikkelingssamenwerking, of zouden we hier juist ambitieuzer tegenover moeten staan?
Twee uur later waren een aantal interessante vragen geformuleerd en beantwoord. Het antwoord op de vraag naar de zin en onzin van ontwikkelingssamenwerking is tijdens dit debat misschien nog niet helemaal gevonden. Bovendien roepen sommige antwoorden direct nieuwe minstens zo belangrijke vragen op. Desondanks was het een succesvolle avond, met veel dank aan de sprekers, de debatleider en het publiek, voor hun bijdragen en interessante ideeën.


