Door Anne van Toor
Op een mooie herfstochtend in oktober lopen dertig welgeklede jongeren uit alle windstreken van Nederland door het landgoed Clingedael te Den Haag. Het zijn de leden van dé Studentenvereniging voor Internationale Betrekkingen uit Amsterdam, Groningen, Leiden en Utrecht. Zij zijn vol verwachting en maken zich op voor een dag op het alom bekende Instituut Clingendael, het kenniscentrum voor internationale betrekkingen.
Na het nuttigen van koffie en thee in de ontvangstzaal van ‘Huize Clingendael’ wordt er door medewerkers van het instituut verteld wat er van hen verwacht wordt: vanaf nu is ieder een land van de Europese Unie of lid van de Europese Commissie en zal er een vergadering van de Europese Raad plaatsvinden in de samenstelling van de ministers van Buitenlandse Zaken. Er is namelijk recentelijk een crisis in Algerije uitgebroken, waarbij zowel door extremistische militante organisaties als door de overheid op grote schaal mensenrechten worden geschonden, waarbij ook onschuldige burgers de dupe zijn geworden. De delegatie van het Europees Parlement verzoekt de Europese Raad om maatregelen te nemen, om onder andere de veiligheid van Europeanen in Algerije te waarborgen. Buiten staat de pers in grote getale te wachten en is de achterban van iedere minister ernstig benieuwd wat hij of zij voor het land in de wacht heeft kunnen slepen.
Na een korte individuele voorbereidingstijd en een voortreffelijke lunch, barst de onderhandelingsstrijd los. Landenbordjes vliegen omhoog, nationale vlaggen worden naar beneden gelegd en handen worden opgestoken. Het eerste agendapunt gaat over het algemene standpunt van de Raad. Hierover wordt pas na anderhalf uur (!) overeenstemming bereikt nadat “Frankrijk zich zo genereus opstelt om tot een compromis te komen”. Hoewel het daar wel wat voor terug wilde, werd er door Cyprus aangegeven dat “we niet aan het koehandelen zijn, maar tot een constructieve oplossing willen komen”. Tijdens het verhitte debat buldert het presidium “nogmaals, wilt u ALSTUBLIEFT via de voorzitter spreken!” waarna vervolgens een mobiele telefoon voor de tweede keer afgaat en er door de zaal galmt “meneer Denemarken, wilt u ALSTUBLIEFT u telefoon uitschakelen!”. Gelukkig wordt het debat regelmatig geschorst, waarin er snel coalities worden gesloten en onderlinge dealtjes worden bekokstooft. De volgende discussie gaat over de vraag of de Europeanen onder EU-vlag geëvacueerd zullen worden. Voor Italië is het helder, “de prioriteit ligt bij onze burgers, als het moet zullen we de actie uitvoeren zonder jullie”. Wanneer Estland duidelijk niet over stag wilt gaan om mee te werken aan de evacuatie, en dreigt een veto uit te spreken, predikt de minister van Ierland “nu wilt u toch niet beweren dat zo’n klein land als Estland, met alle respect, zo’n belangrijk besluit dat wordt gedragen door de hele raad, in haar eentje wilt tegenhouden?” Er klinkt licht cynisch gegrinnik op de achtergrond. De onderhandelingen duren voort, waarbij er niet slechts onderhandeld wordt over de te nemen maatregelen. Door middel van het doorgeven van briefjes, met korte notities voor een andere minister, wordt al snel duidelijk dat er ook onderhandeld wordt over het drankje dat achteraf genuttigd zal worden en blijkt dat er een heuse ‘tour d’amour’ van notities plaatsvindt tussen Hongarije en Bulgarije. Na zo’n vier uur onderhandelen is hier en daar het geluid van een welgemeende gaap te horen. De vergadering wordt uiteindelijk geëvalueerd: het blijkt inderdaad erg lastig te zijn om tot consensus te komen, is de achterkamertjespolitiek toch wel een handig instrument en blijkt het voorzitten van zo’n vergadering toch knap lastig te zijn. Uiteindelijk komt er een model op tafel wat idealiter de beste manier is om te onderhandelen: vasthouden aan je belangen, daarbij lichtelijk dominant zijn, een persoonlijke en joviale benadering ten opzichte van je collega’s te hanteren en explorerend te zijn.
De dag wordt afgesloten met een borrel, waarbij nog nagepraat wordt over de discussie, maar ook vriendschappen lijken te ontstaan. Na een leerzame, maar vooral een gezellige dag gehad te hebben, gaan de SIB’ers, waaronder enkelen met een visitekaartje in het borstzakje, als de avond valt, met de trein weer terug naar hun stad, terug naar het bruisende studentenleven.


